Ook de tabaksindustrie moet mensenrechten respecteren, schrijven Brigit Toebes en Antenor Hallo de Wolf. Een ongezond product verkopen is daarmee in strijd.
Brigit Toebes , Antenor Hallo de Wolf
22 april 2017

https://www.nrc.nl/nieuws/2017/04/22/niet-vergiftigd-worden-is-een-mensenrecht-8335485-a1555533

In september 2016 deed strafrechtadvocate Ficq aangifte tegen vier tabaksproducenten die actief zijn in Nederland. Door willens en wetens hun producten verslavend te maken is er volgens Ficq sprake van onder meer poging tot moord, doodslag en zware mishandeling. Tevens is er volgens de strafrechtadvocate sprake van valsheid in geschrifte doordat de filters van sigaretten zo bewerkt worden dat zij in test-omgevingen minder teer, nicotine en koolmonoxide afgeven dan bij normaal gebruik. In deze aangifte worden de tabaksproducenten dus via het strafrecht verantwoordelijk gehouden voor het produceren en op de markt brengen van een product dat uitermate schadelijk is voor de gezondheid en vaak ook dodelijk is.

Wij betogen dat ook mensenrechtenverantwoordelijkheden de tabaksindustrie dwingen tot een koerswijziging. Mensenrechten scheppen primair verplichtingen voor overheden omdat die als formele partij bij mensenrechten verdragen juridisch aan deze verdragen gebonden zijn. Ondernemingen als de tabaksindustrie zijn in tegenstelling tot overheden niet formeel gebonden aan deze verdragen, dus strikt genomen vloeien er geen juridische verplichtingen voort uit de mensenrechtenverdragen voor een tabaksproducent.

Deze benadering is niettemin aan erosie onderhevig. De afgelopen decennia hebben de Verenigde Naties, ngo’s en mensenrechtenexperts frequent gewezen op de verantwoordelijkheden van niet-statelijke actoren zoals multinationals op basis van mensenrechten. Gezien de macht en invloed die zij uitoefenen op het welzijn van mensen, zo is de gedachte, is het onacceptabel dat zij mensenrechten niet in acht nemen; normen die erop gericht zijn de waardigheid en het welzijn van mensen overal ter wereld te beschermen.

In deze context is het inmiddels breed geaccepteerd dat ondernemingen een verantwoordelijkheid hebben om mensenrechten te ‘respecteren’. De voormalig VN-rapporteur voor handel en mensenrechten, John Ruggie, verwoordde deze verantwoordelijkheid in een gezaghebbend rapport uit 2011 (Guiding Principles on Business and Human Rights).

Deze verantwoordelijkheid om mensenrechten te respecteren betekent: zorgen dat mensenrechten, en de onderliggende waarden, geen schade toegebracht worden. Deze verantwoordelijkheid richt zich niet alleen op de belangen van werknemers binnen het bedrijf, maar ook op de omgeving waar de onderneming actief is, en op de producten die zij produceert en op de markt brengt. Om een voorbeeld te geven: Shell werd een aantal jaar geleden door een Nederlandse rechter gewezen op haar zorgplicht inzake de milieuvervuilende activiteiten van haar dochteronderneming in Nigeria.

De verantwoordelijkheid om mensenrechten te respecteren gaat niet zo ver als de overheidsverplichting om mensenrechten te beschermen en te verwezenlijken. Als het gaat om roken dan is de overheid verantwoordelijk voor het adequaat reguleren van tabak, voor adequate rookpreventie en voor een goed functionerend zorgsysteem ter behandeling van onder meer de gevolgen van het roken. Dit behoort niet tot de taak van een onderneming – maar wat betekent mensenrechten ‘respecteren’ dan wel?

Het betekent vooral dat je als onderneming mensenrechten, en de aan deze rechten ten grondslag liggende morele waarden, geen schade mag toebrengen, onder meer middels de producten die je op de markt brengt. Dit impliceert dat de tabaksindustrie mensenrechten als het recht op leven en het recht op gezondheid van rechthebbenden, in acht dient te nemen bij al haar activiteiten. Door een product te maken en op de markt te brengen dat de gezondheid schaadt en zelfs dodelijk is, miskent de tabaksindustrie evident deze verantwoordelijkheid.

Wat is dan precies die ‘koerswijziging’ die door de tabaksindustrie ingezet dient te worden? De meest drastische koerswijziging impliceert het produceren van alternatieve gewassen voor consumptie die niet zo evident schadelijk zijn, of zelfs opheffing van de gehele industrie. Dit is problematisch voor de tabaksindustrie, en voor degenen die in die industrie werken, doch niettemin een mogelijkheid die ter discussie dient te staan.

In het licht van mensenrechten dienen niettemin verscheidene minder drastische tussenstappen genomen te worden, waaronder het verbeteren van de arbeidsomstandigheden van de tabaksarbeiders en het vermijden van kinderarbeid bij de productie. Daarnaast dwingt dit tot het verbeteren van de informatie omtrent de schadelijkheid van de producten en het vermijden van de marketing van tabaksproducten aan met name kinderen; zeker in lage- en midden inkomenslanden waar de wetgeving daaromtrent nog minder ontwikkeld is. Tevens kan gedacht worden aan het beperken van de schadelijke stoffen in tabak en het meewerken aan de ontwikkeling van alternatieven voor tabaksproducten; doch wij tekenen daarbij aan dat rond vervangende producten als de elektronische sigaret ernstige twijfel heerst of zij daadwerkelijk een gezonder alternatief bieden.

Al met al dwingen mensenrechten de tabaksindustrie dus tot het zoeken naar zowel korte- als langetermijnoplossingen om de schade die aangericht wordt door tabak te beperken. Het wordt tijd dat de tabaksindustrie deze mensenrechtenverantwoordelijkheid serieus neemt.

Prof. mr. Brigit Toebes en dr. Antenor Hallo de Wolf zijn werkzaam bij de Afdeling Internationaal Recht van de Rijksuniversiteit Groningen.

 

Advertenties