“Dit bericht kreeg ik van Nettie Klompsma ,de dag van de uitspraak van het Openbaar Ministerie omdat de tabaksindustrie volgens de letter van de wet (dus legaal)  handelt. Dat zij met opzet jonge kinderen verslaaft, door toevoegingen met suiker, drop, ammoniak, hoestdempers, met een miljarden lobby die in de haarvaten van de maatschappij zit, sjoemel sigaretten produceert die meer kanker dan ooit geven, maar wel aan de zelf bedachte NEN normen voldoen, dat doet er allemaal niet toe: ” Gebruik het, verspreid het ” 

Dan ben ik dus dood

De laatste jaren van Anton 

Voorwoord

Anton was mijn man.
Roken heeft hem gesloopt.
Er is niets meer van hem over dan drie kilo as, in een urn, in een betonnen keldertje onder een steen, in mijn tuin.

Een vriendin vroeg mij of ik niet veel beter de leuke herinneringen aan hem kon opschrijven. Misschien dat zoiets beter was voor het proces.
‘Welk proces?’ vroeg ik.
‘Het verwerken,’ zei zij. ‘Het verwerken van zijn dood.’
Ik legde haar uit dat zijn dood een feit is. Dat dood geen verwerking nodig heeft.
Dat ik de weg naar zijn dood zal beschrijven. Dat dat een zware weg was. Dat hij op die weg eerst de kwaliteit van zijn leven, daarna het leven zelf heeft moeten opgeven, heeft opgegeven. Opgegeven voor het roken. Opgegeven voor tabak. Dat hij twee zoons heeft die hun vader hebben zien lijden, hebben zien sterven. Twee zoons die roken. Die blijven roken. Omdat ze verslaafd zijn. Verslaafd gemaakt. Dat hij zes kleinkinderen heeft.

Ook al weet iedereen dat roken kankerverwekkend is, dat betekent nog niet dat wetenschappelijk te bewijzen is dat ziekte, lijden en dood van Anton het directe gevolg zijn van het roken. Een randomised double blind onderzoek zit er niet in. Maar als wat hierna komt in een rechtszaal verteld zou worden, zou worden gewezen op de talrijke, niet te loochenen aanwijzingen dat tabak aan de ene kant en ziekte-en-dood van Anton aan de andere wel degelijk oorzaak respectievelijk gevolg zijn. Noem het ‘indirect bewijs’.

De aanloop naar het beschrijven van de geschiedenis van Antons laatste jaren is een moeilijke geweest.
Ik weet al een paar jaar dat ik dit moet schrijven, alles op een rij moet zetten opdat ik het wat beter kan bevatten, maar heb het tot op dit moment uitgesteld. Ik wist niet hoe, zag er tegenop als tegen een berg. Totdat ik kort geleden zijn zesde kleinkind in mijn armen hield. Een jongetje wiens tweede naam ‘Anton’ is. Ik ben gaan schrijven.

Dit is het verhaal van de laatste jaren van Anton.

 

Inleiding

Toen Anton en ik elkaar leerden kennen rookten wij beiden stevig. Ik zware shag, hij aanvankelijk ‘echte’ sigaretten en al gauw ook zware shag. Veel goedkoper. We paften er vrolijk op los en als we in de Eend reden, klapten we de raampjes open om onze kindertjes op de achterbank niet in de rook te zetten. We peinsden er aanvankelijk niet over om te stoppen. Dat zouden we later doen. Zo tegen de tijd dat de kinderen gingen puberen of zo. Iedereen in onze omgeving rookte trouwens. Ook shag. Op het werk werd gerookt. Op feestjes werd gezellig binnen gedampt, zittend of hangend op kussens op de grond, want dat was zo de gewoonte.

Shag en vloeitjes stonden bijna altijd bovenaan op het boodschappenlijstje. Vloeitjes raakten op de één of andere manier heel snel op. Gebeurde dat ’s avonds of op zondag dan was de paniek groot. Barre tochten werden dan ondernomen om toch maar vloeitjes te bemachtigen. Er werden bladen uit bijbeltjes gescheurd. Hel en verdoemenis wogen niet op tegen de aardse hel van zonder peuken te moeten zitten.

De kinderen belandden in hun puberteit. Stoppen dus? Dat bleek nog niet zo eenvoudig. Wij konden elkaar nog zo vastberaden aankijken, nog zo gedecideerd de balen shag en de vloeitjes weggooien, onder de kraan houden, niets hielp. Stuiterend van de ontwenningsverschijnselen ging dan de één, dan de ander naar de winkel, het benzinestation om heimelijk verse voorraad te halen. Alle pogingen strandden. Soms na een dag, soms na een week, soms na een paar uur.

De kinderen hadden dus nog steeds rokende ouders.
Maar echt, we gingen stoppen. Heus. Na oud en nieuw. Na dit pakje.
We gaan eerst minderen. Ik rook toch al minder? Én kijk, ik ben halfzware shag gaan roken.
De oudste ging stiekem roken. Ik gaf hem op instigatie van een andere ouder een pond shag in een soort koffieblik -want dan zou hij straalmisselijk worden, moest ik maar eens opletten! en zou hij het roken voor gezien houden. Hij aanvaardde het in dankbaarheid. Wat een toffe moeder!
Nu rookten er drie van de vier.
De jongste had een enorme hekel aan ons gesmook, maar begon er op het hoogtepunt van zijn puberschap ook maar mee. De hele klas rookte. En op feestjes rookten ze ook allemaal. En jullie roken toch zelf ook? Nou dan!
En toen rookten we allemaal.

Dit werd te dol. Dit moést stoppen. We zochten hulp. Toen bleek dat Tibetaanse klankschalen en hypnose ons wel in een heel gelukzalige stemming brachten, waarna we tevreden een peuk opstaken, gaf Anton het op. Ik heb nog acupunctuur, behaviour modification, nog eens hypnose geprobeerd en toen, op een mooie dag, drukte ik mijn laatste peuk uit.

Inmiddels waren zo tegen het jaar 2000 Antons hoest, de rocheltjes, de niesbuien, het snurken,[1] ernstig toegenomen. Maar dat hoefde natuurlijk niet van het roken te komen. Zijn vader hoestte ook altijd en snurken dat ie deed! Het zat waarschijnlijk gewoon in de genen.
Liesbreuk

In 2001 kreeg Anton vrij veel last van een zeurderig, pijnlijk gevoel in zijn rechter lies. Ook ging het lopen steeds moeilijker. Werden de afstanden die hij zonder pijn in de benen kon afleggen steeds kleiner.
‘Blaast u eens flink op uw gebalde vuist,’ sommeerde de dokter hem en schreef een verwijsbrief voor de specialist. Liesbreuk.
‘Hoe ontstaat zoiets?’ vroeg Anton.
‘Verzwakking van het bindweefsel’, zei de dokter.[2]
‘Wat kan daarvan dan de oorzaak zijn?’
Volgens Anton antwoordde de arts toen: ‘Dat kan van alles zijn.’
Over pijn bij het lopen is niet gerept. Dat zou vanzelf wel overgaan.
Op 11 september 2001 werd hij geopereerd.

 

Etalagebenen

Nu de liesbreuk was verholpen, hoopte Anton dat dit de laatste keer was dat hij in een ziekenhuis had gelegen. Of zelfs maar naar de huisarts was geweest. Hij had het niet zo op artsen. Je werd maar al te snel gemedicaliseerd, dus als het maar even kon meed hij de medische stand.
Inmiddels ging het lopen steeds moeizamer, nam de pijn bij het lopen toe en werden de afstanden die hij achter elkaar kon afleggen steeds korter. Minder dan 100 meter. Begin 2002 in vredesnaam maar naar huisarts. Deze schreef een verwijsbrief voor de vaatchirurg van het UMCG.

Diagnose: claudicatio intermittens, etalagebenen, vaatlijden. Er was sprake van tamelijk veel obstructie in de liesslagader. Op 2 mei 2002 werd een ballonnetje ingebracht en een stent geplaatst aan de linkerkant, zodat het linkerbeen weer goed werd doorbloed. Op 9 oktober 2002 werd het rechterbeen gered door het aanbrengen van een zogeheten ‘crossover’ een kunstarterie van de inmiddels dus goed doorbloede linkerkant over de onderbuik naar rechts.

Toen hij ter controle op het vaatlab verscheen sprak de Vlaamse vaatchirurg vermanend tot hem:
‘Ge moet stoppen met roken, meneer. Uw venen kunnen daar niet zo goed tegen.’
Anton mompelde iets en vertrok met recepten voor medicijnen, met een briefje met de vervolgafspraken bij het vaatlab, en met het consigne er een andere leefstijl op na te houden. [3]
Buiten stak hij een sigaret op.
 

Nog een breuk

Het kuchen, het schrapen van de keel, het hoesten en veelvuldig niezen was intussen gewoon doorgegaan. Het niezen deed Anton heel beschaafd: hij nieste binnenslijfs, niet voluit. Er kwam bij iedere niesbui een gigantische inwendige druk in zijn borstkas en wel zo heftig, dat hij een hernia epigastrica had ontwikkeld, een maagkuilbreuk of bovenbuiksbreuk. Niet levensbedreigend, maar wel lastig en lelijk en bij wat strakker zittende kleding zichtbaar. In oktober 2004 is dit gecorrigeerd.

 

Pneumonie en hartritmestoornis

Vanaf 2002 was hij vaste bezoek van het VaatLab van het UMCG geworden. Het draaien en opsteken van een peuk na zo’n bezoek behoorde tot de vaste routine. Verder ging het leven gewoon z’n gang, totdat hij op 28 januari 2011 ineens hondsberoerd werd. Ik reed hem in allerijl naar Delfzijl, naar het Delfzicht, het dichtstbijzijnde ziekenhuis. Anton leek onderweg steeds ‘weg te vallen’.

Op de Spoedeisende Hulp werden een sterk verhoogde hartslag en bloeddruk gemeten. Bovendien was het zuurstofgehalte in zijn bloed veel te laag. Er was sprake van hartritmestoornis, atriumfibrileren. Er kwam een cardioloog.

Er werden thoraxfoto’s gemaakt. Er kwam een longarts. Op de foto’s was een infiltraat onder in de rechter long te zien (pneumonie).
‘Een proces dat al enige tijd gaande is, of een ontsteking,’ zei de longarts. Meneer werd op Intensive Care opgenomen. Een nacht, ter observatie. Vervolgens nog tot de daaropvolgende vrijdag verpleegd. Om nicotine-onthoudingsverschijnselen te onderdrukken werden nicotinepleisters geplakt. Vrijdag 4 februari werd hij ontslagen. De woensdag erop om 08.50 moest hij zich nuchter vervoegen op de röntgenafdeling. Dan zou een CT-scan van het bovenlichaam gemaakt worden.
Tot zover was alles dus goed.
Buiten draaide hij een peuk en stak hem op.

 

Aneurysma

Woensdag 9 februari 2011 om 08.50 uur vervoegde Anton zich bij de röntgenafdeling van het Delfzicht Ziekenhuis in Delfzijl. Er werd een CT-scan gemaakt en Anton kon weer naar huis.
Hij had zich net aan een lekker uitgebreid ontbijt gezet toen de telefoon ging. Ik nam op.

Het Delfzicht. Meneer moest onmiddellijk terugkomen. Er was iets ontdekt. Wat dan?
Een aneurysma. Een wat? Dat legden ze straks wel uit. Nu in de auto. Er was geen tijd te verliezen. En oh ja, of meneer al gegeten had. Ja, dat had meneer. Nou ja, niks aan te doen; kom nu maar. SEH. Snel!
Dus ik reed met een bloedgang weer naar Delfzijl, alle maximum-snelheden negerend.

Op de SEH werd Anton meteen aan de slangen en machines gekoppeld. Er heerste een professionele quasi non-agitatie. Meneer had een aneurysma[4] aan de aorta vlak onder het hart. Ontdekt op de CT-scan. Meneer zou met de ambulance naar het UMCG worden vervoerd. Daar zou hij worden geopereerd. Omdat het aneurysma zo vlak bij het hart zat, was nog niet zeker of het werk was voor de hartchirurg of voor de vaatchirurg.

Ik waarschuwde de jongste zoon. Onze oudste kon ik niet bereiken. Jongste zoon werkte 200 km van Groningen af, maar was nog eerder in het UMCG dan zijn vader.

Onderweg naar Groningen week ik uit en maakte plaats voor een ambulance met zwaailicht en sirenes. Daarin lag mijn man. 10% kans dat hij de operatie niet zou overleven, maar omdat de bloedcirculatie ( pols, bloeddruk, kleur, doorbloeding) een instabiel beeld liet zien, werd met spoed overgegaan tot het uitschakelen van het aneurysma. Er is een stent geplaatst. Er is bloed op kweek gezet. Anton overleefde de operatie. De zoon vertrok naar huis. De vrijdag erop werd Anton ontslagen. Recept voor antibiotica mee tot de uitslag van de kweek bekend was en vervolgbehandeling door de cardioloog in Delfzijl. Patient werd aangemeld bij de trombosedienst.
Thuisgekomen draaide Anton opgelucht een sjekkie en stak hem op. Hij leefde nog!

Moe, futloos, bloeddruk steeds te hoog

De bezoeken aan het VaatLab van het UMCG werden nu afgewisseld met een aantal controlebezoeken aan de cardioloog van het Delfzicht. Ook werd hij ter afsluiting van het pneumonie-dossier nog even gezien door de longarts. Deze vertelde hem dat dat infiltraat dat op de foto’s gezien was, misschien bloed was dat via een miniem scheurtje in het aneurysma de rechter long was ingesijpeld. Dat dat misschien had voorkomen dat de druk in het aneurysma binnen de perken was gebleven.

De cardioloog vroeg op 12 mei 2011 hoe meneer zich nu voelde. Moe, zei Anton, nergens zin in.
‘Ook niet in seks?’ vroeg de cardioloog belangstellend.
‘Eh, nee,’ antwoordde Anton enigszins verbouwereerd. De cardioloog vroeg niet verder, krabbelde iets op een papiertje en zei: ‘Kijkt u eens, een recept voor Cialis. Vijf pilletjes; zo nodig ½ – 1 stuk. Bloeddruk is nog steeds niet in orde. Ik zal een Holterkast voor u regelen. Kunnen we de tensie gedurende 24 uur in de gaten houden. We gaan dit lijntje gewoon met elkaar afmaken. Verder nog klachten?’

De 25ste mei werd hem het Holterkastje omgedaan en de 26ste leverde hij hem weer in. De huisarts zou het verder bekijken en de cardioloog zou hem het volgende jaar weer een oproep sturen.

Op maandag 8 augustus 2011 ging hij naar het spreekuur van de huisarts. Hij was moe, energieloos, zag op tegen alles, had geen zin in wat voor klus dan ook. Was teleurgesteld in de cardioloog: deze had niets gedaan volgens hem. De resultaten van de Holterkast? Niets gehoord. Lijntje afmaken? Niets van gemerkt.

‘Wat zei de huisarts?’ vroeg ik hem.
‘Niets bijzonders,’ zei Anton. ‘Ik heb hem wel gevraagd eens te bekijken of er iets met mijn prostaat is. Ik moet zo vaak plassen en dan komt er niets. Maar de prostaat was niet meer vergroot dan normaal is voor een man van mijn leeftijd. Maar ik heb een receptje gekregen voor alfusozine, een middel dat het plassen moet vergemakkelijken. Komt vast wel goed.’
Hij stak een sigaret op en zweeg.

Hij zweeg steeds langduriger. Was vermoeid. Moest er ’s nachts steeds frequenter uit om te plassen. Doodop werd hij ervan. Zijn eens zo vaste, keurige handschrift werd almaar krabbeliger. De ziekenhuisbezoeken voor het ondergaan van de periodieke CT-scans in verband met de stent in zijn aorta en zijn vatenstelsel in het algemeen, werden in toenemende mate een last die zijn draagkracht te boven ging. Wat was er in godesnaam aan de hand?

Anton werd met de dag somberder. Omdat hij het niet wist. Hij die altijd greep op zijn bestaan wilde hebben. Die alles beredeneerde. Die niets met het witte-jassen-gilde te maken wilde hebben. Juist hij zag het niet meer zitten. En wat dat ‘het’ was, bracht hij niet onder woorden. Als ik ‘er’ naar vroeg, keek hij zwijgend een andere kant op, draaide een peuk en ging naar buiten. Even rust. Even roken.

Rode plas
21 april tot en met 3 mei 2013

Anton komt van de wc en zegt me dat zijn plas rood is. Hij is ongerust. Ik weet dat, omdat hij het anders niet tegen me had gezegd. Ik ken hem. Ik zeg dat ik de dokter ga bellen. Het is zondag, dus bel ik de Centrale Doktersdienst. Hij is heel erg ongerust. Hij protesteert niet.

Hij wordt verwezen naar de doktersdienst die in het Delfzicht huist. Of hij wat urine wil meenemen, vraagt de assistente door de telefoon. De assistente is de assistente van onze eigen huisarts. Dat stelt wat gerust. ‘Rode plas’, schrijft Anton in zijn agenda.

De weekendarts is dokter Z. en dokter Z. en Anton kennen elkaar. Hij heeft hem onlangs nog goedgekeurd voor zijn nieuwe rijbewijs.

‘Er zit bloed in uw urine’, zegt dokter Z. , ‘En omdat ik niet weet waar het vandaan komt, verwijs ik u naar uw huisarts.’ Ik vraag waar het zoal vandaan kan komen.

‘Nieren bijvoorbeeld’, zegt de dokter.

‘Prostaat?’ vraagt Anton. Hij heeft nu immers al tijden moeite met plassen, moet er ’s nachts vaak, steeds vaker uit. De huisarts heeft een lichte vergroting geconstateerd. Anton krijgt nu al meer dan een jaar alfusozine. Z. antwoordt dat dat mogelijk is. We gaan naar huis. Morgen maar een afspraak maken met de eigen huisarts.

Midden in de nacht schrijft Anton in zijn agenda:
‘2.00 Rode plas stop’
Maar de woensdag erop is het weer raak. Twee woorden in de agenda: ‘Rode plas’

Ik bel de huisarts. Dit kan niet meer. Er moet een blaasonderzoek komen. De assistente zal het regelen. Maar als woensdag 1 en donderdag 2 mei nog geen bericht van het UMCG binnen is en Anton de wanhoop nabij is, bel ik de assistente van de huisarts weer. En ja, er was ‘iets’ fout gegaan in het UMCG. Maar morgen, 3 mei om 11.30 uur kan Anton komen voor een blaasonderzoek.

 

Blaaskanker

We zitten bij de uroloog.
Anton meldt zijn klachten en de uroloog haalt een vragenlijst tevoorschijn.
‘Rookt u?’ is de eerste vraag.
Anton antwoordt dat hij inderdaad rookt en het aantal sigaretten dat hij vervolgens noemt als antwoord op de tweede vraag is zijn daggemiddelde gedeeld door twee.
‘Acht.’
Er volgt nog een aantal vragen en dan heeft het blaasonderzoek, de cystoscopie plaats, waarna Anton en de uroloog terugkeren naar de kamer waar ze mij hebben achtergelaten.

‘Ik heb geen goed nieuws voor u. Er zit een groot gezwel in uw blaas,’ zegt de uroloog tegen Anton.
‘Mag ik het zien?’ vraag ik.
De uroloog draait zijn beeldscherm naar ons toe. Ik zie de blaas. Zo groot als een sinaasappel is onze blaas. Op het scherm is hij vergroot. Ik zie een grijze plak tegen de rechterkant.
‘Dat is voor u rechts maar het is de linkerkant van meneer,’ zegt de uroloog.
Ik zie een soort tentakels dwars door de wand naar buiten gaan.

Ik zie dat Anton het ziet. Alles ziet.
En ik zie hoe hij op datzelfde moment een ondoordringbaar scherm neerlaat. En niets meer ziet. Niets meer wil zien. Niets laat zien. Omdat het te groot is. Te veel is.

We gaan naar huis. Anton gaat op het terras zitten. Hij kijkt uit over het eindeloze Hogeland. Hij rookt. Hij zwijgt.

Op 3 juni – na een veel te lange periode van haperingen in de communicatie tussen de verschillende UMCG-afdelingen- zal een operatie plaatshebben. Kijken wat er verwijderd kan worden. Weefsel opsturen naar de patholoog anatoom (PA).

Na de operatie heeft Anton een acuut delier. Denkt in een vrij beroerd gerund hotel te zijn ergens in Noorwegen. Rukt ’s nachts alle infuusnaalden en het katheter eruit. De verpleegkundigen vragen mij of ik voortaan bij hem op de kamer wil slapen. Natuurlijk wil ik dat. Dus verzeker ik mijn arme man de volgende nachten dat ik echt niet naar Zweden zal vertrekken, weerhoud hem van het uitrukken van slangen, probeer de onrust weg te nemen. Er is haloperidol ingezet en dat middel moet de onrust doen afnemen en geleidelijk aan doen verdwijnen.

Op 5 juni – het delier is nog een serieuze factor- komt de chirurg die hem heeft geopereerd de kamer binnen, sluit de deur achter zich, zegt dat is geconstateerd dat de linker nier bijna niets meer doet, dat de rechter met veel medisch-technische hulp aan de praat gehouden kan worden. Vraagt of dat het is wat Anton wil. Of dat hij vindt dat zo wel goed is. Dat het welletjes is.
Ik: ‘En dat vraagt u aan iemand met een acuut delier?’
Chirurg: ‘Daarom zit ú er ook bij.’
Ik , vragend naar de bekende weg: ‘Als hij al die technische hoogstandjes niet zou ondergaan, wat gebeurt er dan?’
Chirurg: ‘Dan sterft hij binnen twee weken. Het is een zachte dood.’

Omdat ik met Anton niets heb kunnen overleggen, omdat de dood hoe dan ook een taboe onderwerp is, en ik niet weet wat hij zou willen als hij niet delirant was, heb ik voor hem gekozen. Ik kies de ingreep, een nefrostomie. Mij is dringend verzocht bij de ingreep aanwezig te zijn. Het is overduidelijk een zeer pijnlijke ingreep.

Van de buitenkant wordt zijn rechter nier aangeprikt, – via de urineleider, dus binnendoor, is het niet gelukt ; die weg is geblokkeerd- en er wordt een katheter geplaatst. De urine wordt via een slang afgevoerd naar een beenzak. Daaraan zit een kraantje om de boel te legen.

Anton is aangemeld bij Buurtzorg. Verzorging kan ik op me nemen, wat verpleging ook, maar het spoelen van de blaas en het verschonen van de nefrostomiepleister bijvoorbeeld zijn taken voor verpleegkundigen. Hij krijgt twee toegewezen. Twee kanjers van verpleegkundigen.

Inmiddels is Anton zozeer verzwakt dat hij aan de Nutridrink zit. Een drankje met alle brand- en bouwstoffen die een mens nodig heeft, maar dan makkelijk in te nemen en makkelijk verteerbaar. Zijn benen zijn te zwak om het lijf te dragen. In het UMCG vervoer ik hem per rolstoel.

De PA komt met het definitieve vonnis: blaaskanker, in vaktermen: pT3Gr3 uretheelcarcinoom van de blaas. En daar staat het dan, zwart op wit, heel nuchter, heel onontkoombaar: ‘grote, deels solide, deels papillaire tumor over de gehele linker zijwand.’

Maar gelukkig: de oncoloog-uroloog heeft bestralingen voorgeschreven. Bestralingen gericht op genezing. We kunnen ons geluk niet op: 33 bestralingen, te beginnen op 16 juli. We krijgen het schema toegestuurd.

En dan, als voor de juiste plaatsen voor de bestralingen tattoos zijn gezet en een CT is gemaakt, blijkt tijdens het eerste consult bij de arts van Radiotherapie dat er een bobbeltje zit , rechts, even onder de hals bij het sleutelbeen. Er wordt een biopt genomen.
Op 12 juli wordt aan Anton verteld dat dat bobbeltje een metastase is. Er kan geen sprake zijn van bestralingen: die maken meer kapot dan dat ze iets positiefs kunnen uitrichten gezien de zienderogen achteruitgaande conditie van Anton en de uitzaaiing.

Ik kijk naar Anton. Hij zit in zijn rolstoel, met zijn rechter hand omvat hij zijn kin. Zijn ogen uitdrukkingsloos. Hij zwijgt.
‘Hoe lang heeft hij nog?’ vraag ik ongelukkig.
‘Een maand. Kunnen er ook dertien worden.’
‘Dan ben ik dus dood,’ zegt Anton.

Thuis. We zitten buiten op het terras. Hij met een Nutridrink en een peuk.
Ik merk aan alles dat hij het hem even daarvoor meegedeelde nieuws verschrikkelijk vindt.
‘Je bent ongelukkig, hè?’ zeg ik.
‘Ja, heel erg,’ zegt hij. Hij keert zich af en doet er verder het zwijgen toe.
Ik licht de huisarts in. De huisarts schrijft hem oxazepam voor.

Dertien dagen hierna krijgt hij nog een urineweginfectie. Midden in de nacht is hij ineens heel onrustig. Hij heeft koorts, is heftig delirant en wordt per ambulance naar het UMCG gebracht. Daar wordt de blaas geleegd, krijgt hij antibiotica voorgeschreven en knapt hij drastisch op. Hij verlaat op 29 juli fit lopend het ziekenhuis.

Thuis komt aan deze opleving al snel een einde. Hij krijgt heftige pijnen, krijgt fentanyl voorgeschreven. Ik ben de wanhoop nabij. Ik bestel mediwiet. Die druppels doen aanvankelijk de doorbraakpijnen verdwijnen. Totdat ook dit geen soelaas meer biedt.


Second opinion

Ik heb namens hem een second opinion aangevraagd bij het Antoni van Leeuwenhoek Ziekenhuis in Amsterdam. Anton wil niet dood. Hij zegt dat niet; hij zegt dat hij een second opinion wil.

Op 7 augustus 2013 rijd ik door de slagregens met een steeds verwarder wordende Anton naar Amsterdam. We verblijven een nacht in het nabijgelegen GastHuis. De volgende ochtend zijn gesprekken en onderzoeken gepland.

Maar dan blijkt dat de artsen van het AvL pas de dag ervoor, terwijl Anton naar Amsterdam gereden werd, het verslag van het UMCG hebben gelezen en doorgesproken. Dat verslag heeft hen doen besluiten geen onderzoeken te verrichten. Alleen chemo was een optie, maar daarvoor was Anton te zwak.
Weer thuis heb ik z’n shag gepakt en heb ik sigaretten voor hem gedraaid.
Dood

Anton is 23 september ten val gekomen, heeft met een aan zekerheid grenzende waarschijnlijkheid zijn heup gebroken. De dokter is gekomen, heeft morfine en dormicum voorgeschreven, want Anton vergaat van de pijn.

Ik heb een hoog-laag-bed besteld. Mijn man is aanvankelijk heel onrustig en verward, later, onder invloed van morfine en dormicum steeds vaker, steeds verder weg van mij. Weg van zijn kinderen.

Op 27 september 2013 is Anton overleden.
 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

Nawoord

Mijn eetkamertafel ligt vol papieren: verslagen van artsen, van Buurtzorg , uitdraaien van whatsapp-conversaties met mijn jongste zoon, e-mails aan vrienden en kennissen en oude agenda’s.
Eén ding werd tijdens het ordenen van al die documenten steeds duidelijker voor mij:
de verslaving aan sigaretten heeft Anton in een dodelijke greep gehouden. De tabak heeft hem ziek gemaakt, hem verzwakt, hem kanker gegeven, hem gedood.

Het hoesten, de niesbuien, het rocheltje, de liesbreuk, de etalagebenen, de toestand van zijn vatenstelsel in het algemeen, het aneurysma, de blaaskanker: voor alles wordt roken aangewezen als een oorzaak – met de nadruk op ‘een’. Met andere woorden, dat is de overeenkomst tussen al deze aandoeningen. Ten overvloede: déze oorzaak, het roken van tabak, hebben alle genoemde aandoeningen gemeen.

Op het moment dat ik dit schrijf, heeft het OM besloten geen strafzaak te beginnen tegen de tabaksindustrie. In het persbericht stelt het OM dat roken weliswaar dodelijk is en dat het ontwerp van sigaretten daaraan bijdraagt, maar dat de tabaksproducenten niet handelen in strijd met de wet- en regelgeving. Ik heb gehuild toen ik het las.

Antons ziektes en zijn dood wijt ik aan de tabak, of liever aan de tabaksindustrie, die stoffen toevoegt aan de tabak om die troep maar zo verslavend mogelijk te maken . Dat de tabaksindustrie dat doet erkent ook het OM, maar ja, alles geschiedt binnen de wet- en regelgeving.
Wat mij betreft is de Staat medeplichtig aan de ziektes en de dood van Anton. De Staat geeft de tabaksproducenten gelegenheid een dodelijk product te maken en op de markt te brengen. Maar de Staat kan niet strafrechtelijk worden vervolgd.

Ik heb twee kinderen. Zij waren getuigen van de ziektes van hun vader en zaten aan zijn sterfbed. Toch blijven zij roken. Omdat ze niet kunnen stoppen. Op hun boodschappenlijstje staat ‘shag’. Staat ‘vloeitjes’. Zij zijn verslaafd. Tabak bepaalt hun leven en oh ja, ik weet hoe dat is. Hoe erg dat is.

Ik heb zes kleinkinderen.
Vier van hen hebben hun opa meegemaakt. De vijfde heeft hem even gezien en nummer zes is onlangs, vier jaren na opa’s dood, geboren.
Ik heb zes potentiële rookverslaafden. Zes replacement smokers.

 

Lieve Wanda de Kanter,


Ik heb jou beloofd Antons ziektegeschiedenis op te schrijven.
Heb je vier jaar geleden gevraagd of je er te zijner tijd prijs op zou stellen. Ja, zei jij.


Dit is het.
Verspreid het, gebruik het.

 

Nettie Klompsma

 

[1] : https://mens-en-gezondheid.infonu.nl/aandoeningen/186111-niezen-oorzaken-weetjes-en-fabels-van-niesbuien.html

[2] : https://www.thuisarts.nl/liesbreuk/ik-heb-mogelijk-liesbreuk
https://gezondr.nl/liesbreuk-symptomen-behandeling-oorzaak-liesbreuken/

 

[3] https://www.hartwijzer.nl/Etalagebenen.php

 

[4] http://www.aneurysma.nl/aaa_oorzaken.php

Advertenties